Soms doe je iets alledaags,
iets zo gewoons,
dat je niet doorhebt dat je met deze gewone handeling
een contrast creëert, zo groot,
dat het stukje geschiedenis
dat achter je in een tuinstoel zit
niet groter kan worden uitgelicht
dan het moment waarop je kiest
voor een geplaatste jeu de boules bal op links,
een gewone worp, verre van perfect.
Karel de Grotelaan 46.
Géza zit, met een deken over zijn benen,
voorzichtig in de zon.
Daarop een houten schrijfblok
bedekt met gele, vellen papier,
een potlood en een gum.
Geen piano in de buurt, geen instrument,
alleen dit plaatje: een kleine man
met een groot gehoor,
onder een grote zon.
Men zegt wel dat ze komen aangevlogen,
de klanken, de noten, en dat de componist
ze alleen nog maar hun plek hoeft te wijzen.
Terwijl ik mij met bal twee opmaak voor het betere smijtwerk,
kijk ik achterom en zie nog net een goudgele vlinder
stokjes, vlaggetjes en bolletjes
op een hoopje bij elkaar vegen
aan de rand van het gele papier.
Géza ziet mij kijken en knipoogt,
zegt dat hij ze allang had gehoord
die stokjes, vlaggetjes en bolletjes,
hij hoeft ze alleen nog maar aan elkaar te plakken
en naar het juiste lijntje te dirigeren.
Ik geloof hem meteen en mis glorieus mijn tweede worp.
Mijn bal rolt de baan uit, smoort in het gras
en geen vlinder te bespeuren die mij even helpt.