Recensies over Frid cd’s

image_pdfimage_print

‘Orchestral Music – Historical Recordings’, (2018) *

Januari 2019, Gerard Scheltens

Géza Frid. – Orkestmuziek door het Radio Philharmonisch Orkest en het Brabants Orkest.

Et’cetera Records, KTC 1633.

Paradou, opus 28 (1948); Concert voor twee violen en orkest, opus 40 (1952); Études Symphoniques, opus 47 (1954); Concert voor twee piano’s en orkest, opus 55 (1957); Ritmische studies, opus 58 (1959).

In 80 jaar de wereld rond heet het bijna 300 pagina’s tellende boek met de memoires van Géza Frid. Het verscheen in 1984 en de Hongaars-Nederlandse componist vertelt erin onderhoudend over zijn levensloop en zijn carrière. Tussen de anekdotes door komen we ook veel te weten over zijn opvattingen over muziek. De titel, een toespeling op Jules Vernes Phileas Fogg, zal wel door de uitgever zijn bedacht, maar Frid onthult dat hij eigenlijk de voorkeur had gegeven aan de titel Geen compromis . Een treffende zelftypering van een componist met duidelijke standpunten over muziek, politiek en zichzelf.

De muziek van Géza Frid (1904-1989) wordt nog maar weinig gespeeld en opnamen ervan verschijnen maar sporadisch. Hij behoort tot de vergeten generatie van Nederlandse componisten (Hendrik Andriessen, Henk Badings, Léon Orthel en vele anderen) die in de tweede helft van de twintigste eeuw zeer actief was, maar later tussen de wal en het schip is geraakt. Zo gaan we met ons muzikale erfgoed om. De cd van Et’Cetera met oudere opnamen van vijf orkestwerken, absoluut niet aangevreten door welke tand des tijds dan ook, is een noodzakelijke daad van rechtvaardigheid.

Géza Frid was een bijzondere figuur in het Nederlands muziekleven. Dat had te maken met zijn veelzijdige muzikale talent (componist, pianist, muziekscribent), maar ook met zijn afkomst. Hij werd geboren in Máramarossziget (nu Sighet) in het deel van Hongarije dat nu bij Roemenië hoort. Als vroeg wonderkind gaf hij op zijn zevende zijn eerste pianoconcert. Zijn leermeesters, de nationale grootheden Béla Bartók en Zoltán Kodály, werden zijn levenslange vrienden en muzikale partners.

Maar in het Hongarije van toen waren de vooruitzichten voor een Joodse musicus zonder geld niet gunstig, en in 1927 vertrok Frid op uitnodiging van de violist Zoltán Székely naar Nederland. In dit “land van melk en honing” vond hij een vruchtbare bodem voor zijn muziek. Dankzij Pierre Monteux werd in 1930 zijn eerste orkestwerk, de Suite , gespeeld in Amsterdam en New York. Hij trouwde met zangeres/pianiste Ella van Hall en hun zoon Arthur is dezelfde die in het cd-boekje de liner notes voor zijn rekening neemt, en daarbij ook citeert uit toelichtingen die zijn vader gaf bij zijn composities. Ondertussen bleef Frids muzikale ster rijzen, maar de bezetting kwam tussenbeide. Zoals voor vele Joodse Nederlanders waren de oorlogsjaren heel moeilijk voor hem en zijn gezin, maar toch wist de energieke en vindingrijke Frid bijna vijftig clandestiene huisconcerten te geven.

Na zijn in 1948 verkregen Nederlanderschap kreeg zijn carrière pas echt vleugels. Hij maakte vele concertreizen, om te beginnen naar Indonesië en daarna naar talloze andere landen. Hij begeleidde Erna Spoorenberg en vormde een succesvol pianoduo met Luctor Ponse. Hij werd ook muziekredacteur bij Het Vrije Volk, bestuurslid van de Buma en docent aan het Utrechts conservatorium. Een bezige man, die natuurlijk ook nog druk bleef componeren.

Arthur Frid gaat de traumatische laatste weken van zijn vader in 1989 niet uit de weg. In het verzorgingshuis in Bergen waar hij zijn laatste jaren doorbracht, had het personeel niet goed opgelet en Géza Frid verbrandde in een kokend bad. Sindsdien is het moeilijk om niet te denken aan zijn verschrikkelijke dood in het brandwondencentrum in Beverwijk.

Laten we ons liever richten op de muziek van de cd. Gelukkig is het niet de enige, want van Frids werk zijn in het laatste decennium meer opnamen uitgebracht op drie waardevolle cd’s:

  1. Fantasia Tropica met de vier strijkkwartetten door het Amaryllis Quartett (Coviello Classiscs, 2008)
  2. Budapest – Amsterdam met andere kamermuziek door Martin Tchiba, Birthe Blom en Ditta Rohmann (Hungaroton, 2009), hier besproken door collega Siebe Riedstra.
  3. Choral Works (waaronder het Concert voor piano en koor) door het Amsterdam Franz Liszt Chorus o.l.v. Peter Scholz (Hungaroton, 2014).

Uit die muziek spreekt een krachtige eigen persoonlijkheid, die zijn Hongaarse afkomst niet verloochent, met – in navolging van Bartók – een sterk gevoel voor ritmiek, maar even goed voor harmonie en melodiek. Vanaf het begin is duidelijk dat Frid niets moest hebben van de ‘school van Darmstadt’, die in de muziekwereld van de jaren vijftig en zestig het primaat kreeg, ten koste van componisten die een radicale breuk met de traditie afwezen. In bovengenoemde mémoires zet hij zijn opvattingen uiteen. Hij onderging invloed van de “echte vernieuwers”, de componisten die hij als “de Grote Vier” beschouwde: Debussy, Ravel, Bartók en Stravinsky (althans in diens jonge jaren, niet de “latere renegaat”). Zij kozen “een uiterst positieve schrijfwijze om de decadente neoromantiek te doorbreken en, wat nog belangrijker is, zij streefden in hun composities naar een afgerond geheel”. Daartegenover stelt Frid de “sterk negatieve invloed” en “hysterische eenzijdigheid” van Anton Webern met zijn “zichzelf vrijwillig opgelegde, met zijn karakter overeenstemmende, hopeloos-negatieve vlucht in de duisternis” . In zijn boek breekt hij de staf over de dodecafonie en het naoorlogse serialisme. Hij noemt Schönberg, Berg en Webern de “Kleine Drie”, alleen voor Berg kan hij waardering opbrengen. Hij kan maar niet begrijpen waarom voor zoveel componisten in de tweede helft van de 20ste eeuw Webern de leidsman is geworden, iemand die is gekomen “tot het punt, waar de muziek ophoudt een uitdrukking van emoties te zijn”. Figuren als Satie, Ives en Varèse (de “nog Kleinere Drie”) hebben een “opvallend tekort aan vakkennis en een twijfelachtig muzikaal geweten” , om maar te zwijgen van “nog mindere goden als Boulez, Stockhausen, Penderecki, Antheil, Xenakis en Glass” .

Zo, die zit. In Géza Frids commentaren klinkt verbittering door over de verkettering die componisten ten deel viel als ze de tonaliteit wilden behouden en vernieuwing zochten in een evolutionaire aansluiting bij de traditie.

Zijn eigen uitgangspunten zijn altijd beïnvloed door de “Grote Vier”, en dan natuurlijk in het bijzonder Bartók en daarnaast Kodály, zowel wat betreft de ritmische component als de Hongaarse volksinvloeden. Daarmee is Frid een apart en kleurrijk element in het Nederlandse muziekleven. De vijf orkestwerken die Et’Cetera nu uitbrengt geven een mooie doorsnede van zijn compositorische prestaties op symfonisch gebied. De opnamen zijn niet heel recent, maar de klankkwaliteit van deze radio-opnamen is alleszins acceptabel.

Net als twee jaar later Henk Badings schreef Frid in 1952 een dubbelconcert voor twee violen voor het duo Theo Olof en Herman Krebbers, dat in dat jaar werd opgenomen door de AVRO onder Willem van Otterloo en ruim 66 jaar later nog verrassend goed klinkt. Alle hulde voor het oppoetsen door Bert van Dijk van Helix Audio (hij leverde het materiaal aan) en producer Dirk de Greef en zijn staf van Et’cetera! Dit virtuoze en melodieuze werk citeert tegen het einde letterlijk het openingsthema uit Bachs grote voorbeeld, het beroemde dubbelconcert in d-klein dat voor Olof en Krebbers fungeerde als hun lijfstuk waarmee ze talloze malen optraden. Ook met Frids concert trokken ze langs volle zalen en het is ook regelmatig gespeeld door andere violisten: het echtpaar Jeanne Vos en Bouw Lemkes en “de Bors”, zoals Frid de broers Dick en Christiaan noemde. Welke violisten van nu gaan met dit dankbare, lyrische en contrastrijke werk aan de slag?

Het andere dubbelconcert op de cd is dat voor twee piano’s uit 1958, gespeeld door Géza Frid en zijn vaste duo partner Luctor Ponse onder Jean Fournet. De opname werd gemaakt door de NCRV in 1962. Hoewel de opnameklank ietsje diffuus is, komt in deze uitvoering de markante, Bartókachtig hamerende ritmiek van de hoekdelen er mooi uit, met daartussen, in een rapsodisch Lento assai, een heftige wisselwerking tussen de piano en het orkest. Gek genoeg horen we in de finale een dodecafonische reeks, waarmee Frid, net als Hendrik Andriessen, lijkt te willen zeggen: “ik ben er tegen, maar kijk ’s hoe makkelijk ’t is”.

Beide dubbelconcerten worden omlijst met drie pure orkestwerken, opgenomen door de NPS in 2001 met het Brabants Orkest onder de onvolprezen Michel Tabachnik. De vijfdelige symfonische fantasie Paradou uit 1949, geïnspireerd op een gegeven uit de roman La Faute de l’Abbé Mouret van Zola. Je vraagt je af waarom dit toegankelijke, sfeerrijke en lyrische stuk, dat onder Van Beinum in première ging, daarna door Doráti diverse malen is gedirigeerd en bekroond werd met de Muziekprijs van Amsterdam, later zo is verwaarloosd. Het is het bekende lot van de Nederlandse muziek van deze vergeten generatie.

Uit een ander vaatje tapt Géza Frid met de Études Symfoniques , die in 1955 ook door Van Beinum ten doop werden gehouden en ook al de Amsterdam Muziekprijs kregen. Hierin exploreert Frid in het luide eerste deel “Obsession” de ritmiek en in het fluisterzachte tweede deel “Répos” de harmonie. Het derde deel “Fuite” vormt dan de synthese. De cd sluit af met de Ritmische studies voor kamerorkest uit 1959, bedoeld als leerrijke oefeningen voor muziekstudenten die de tanden kunnen stukbijten op allerlei buitenissige maatindelingen, maar het totale resultaat is natuurlijk veel meer dan de som der (zeven) delen. We horen Tabachnik aan het werk, m.i. een onderschatte dirigent, in gedreven uitvoeringen met het allang verdwenen Brabants Orkest.

Dat er geen recente opnamen van deze muziek bestaan is een schande, maar deze met liefde samengestelde cd is een prachtig pleidooi voor een verwaarloosde componist die veel vaker gespeeld zou moeten worden. Als Nederland maar ’s wat minder gemakzuchtig was…

Orkesten! Verras uw publiek ’s een keertje en vervang zo’n afgedraaid opus van Mahler of Sjostakovitsj door een werk van Géza Frid.

Nog een recensie over deze cd, “recommended” door Stephen Greenbank.

Top


‘Budapest – Amsterdam’, kamermuziek (2009) *

2010, “Musicalifeiten” (Kennisdatabank voor klassieke muziek), Jan de Kruijff
Frid: Podium-suite op. 3; 12 Muzikale karikaturen op. 8; Sonate in stukken voor cello en piano op. 9; Pianotrio op. 27. Birthe Blom (v), Ditta Rohmann (vc) en Martin Tchiba (p). Hungaroton HCD 32660 (65’03”). 2009

Of in de archieven van Donemus en de Nederlandse omroep nog opnamen sluimeren van hetzij het musiceren van de Hongaars-Nederlandse componist/pianist/leraar/criticus Géza Frid (1904-1989) is onbekend. Of dat materiaal algemeen toegankelijk is? Een herdenking van zijn geboorte- of sterfdag zou best aanleiding mogen zijn voor nadere publicatie. Wie Frids autobiografie In tachtig jaar de wereld rond (Strengholt, 1984) leest, krijgt een goede indruk van leven en werk van de hoogbegaafde, veelzijdige musicus die zich al in 1929 in Nederland vestigde.

Degenen die hem hebben gehoord en die met hem samenwerkten zijn vol lof over zijn kunnen en bevlogenheid. Maar tot nu toe ontbrak de mogelijkheid om hoorbaar nader kennis te maken met Frid als componist. Sponsoring door het Ministerie van Opvoeding en Cultuur in Hongarije, het Hongaars verkeersbureau, Piano Schmitz in Essen en Tordai Consulting maakte het mogelijk deze welkome opname van een viertal kenmerkende kamermuziekstukken door een Nederlandse violiste met een Hongaarse celliste en pianist te realiseren.

De catalogus met werken van Frid beslaat een honderdtal composities, dus in principe valt nog veel meer te oogsten. Jammer genoeg zullen de orkestwerken, zoals de Orkestsuite op. 6, Paradou op. 28, het voor Herman Krebbers en Theo Olof bedoelde Concert voor 2 violen en orkest op. 55, het dito voor 3 violen op. 78 voor Emmy Verhey en de broers Bor of de Etudes symphoniques op. 47 wel nooit aan bod komen omdat de productie ervan te duur is. Maar de Strijkkwartetten en meer kamermuziek smeken om aandacht.

De hier bijeen gebrachte stukken dateren uit de periode 1928 tot 1947. Alleen de Podium-suite ontstond nog in Boedapest, de overige werken kunnen dus met enige fantasie en een flinke scheut chauvinisme als Nederlandse muziek worden beschouwd. Het zal niemand verrassen dat deze werken invloeden verraden van Hongaarse volksmuziek, van Kodály (Frids compositieleraar), Bartók (zijn pianoleraar) en verder van Debussy en Ravel. Het resultaat is een krachtig, inmuzikaal idioom. Daarvan is het drietal jonge musici zich terdege bewust. Samen zorgen ze voor een heel stimulerend programma, met grote expressie en veel virtuositeit uitgevoerd. Het samenspel is fraai geïntegreerd en over chauvinisme gesproken: vooral het vioolaandeel van Birthe Blom in de prille, van jong elan getuigende Podium-suite imponeert. Jammer dat het uitgerekend met bijna 12 minuten het kortste stuk is op deze goed klinkende cd. De gewenste hoeveelheid Hongaarse peper en paprika als smaakversterker is niet te versmaden.

Is dit het begin van een noodzakelijke inhaaloefening? Hopelijk!

Nog een artikel over deze cd: Vrij Nederland, 12 december 2009

Top


‘Fantasia Tropicana’, kwartetten (2008) *

Juli/Aug. 2008, Neue Musikzeitung, Christof Schlüren

Géza Frid: Streichquartette 1–4, Amaryllis Quartett
Coviello Classics COV 50805/Note 1

Diese Musik hat mich wirklich überrascht. Der Ungar Géza Frid (1904–89), der bereits 1929 emigrierte, sich in Amsterdam niederließ und 1948 niederländischer Staatsbürger wurde, ist außerhalb seiner Wahlheimat kaum bekannt. Nach mehrfachem Hören bin ich sicher, dass er zu den besten Komponisten Ungarns zu zählen ist.

Es erging ihm wie vielen Emigranten, die weder der Avantgarde noch dem Kommerz zuneigten und auch keine Lobby fanden. Während Ligeti und Kurtág zu Ikonen des 20. Jahrhunderts erhoben wurden, erfreute sich Frid einfach nur der profunden Wertschätzung von Musikern und Kennern.

Seine vier Streichquartette sind in einem Zeitraum von dreißig Jahren entstanden (1926, 1939, 1949 und 1956). Sie sind sehr unterschiedliche und abwechslungsreiche Erzeugnisse eines ausgeprägten Personalstils, der bis zuletzt unverkennbar ungarischer Herkunft ist und auf sehr eigene und lebendige Weise den übermächtigen Einfluss Béla Bartóks verarbeitet.

Das 1. Quartett ist ein zündender Beweis früher Reife in vier farbreich kontrastierenden Sätzen. Im in schwieriger Zeit verfassten 2. Quartett exerziert Frid mit magischen Klangmixturen fantasiereich fugierende Satzmodelle, die mit der Historie (Bach) spielen – frisch, freisinnig, ohne jegliche Zopfigkeit.

Mehrere Reisen nach Indonesien konfrontierten Frid mit dem Unbekannten und erweiterten seine kreative Innenwelt beträchtlich. Unter diesen Eindrücken entstand das 3. Quartett, die Fantasia tropica, die in vier Sätzen (Abend – Nacht – Morgen – Abend) das Außerordentliche einfängt und mit dem Eigentümlichen verschmilzt. Ein herrliches Werk, das den brasilianischen Stücken Darius Milhauds oder den indischen Anverwandlungen John Foulds’ gleichberechtigt zur Seite tritt.

Im 4. Quartett ist Frids Ausdruck komplett befreit, dabei mit souveräner Klarheit und Disziplin in schlüssige Form gebracht. Auch in diesem, in seinen Proportionen so vorbildlichen Werk gilt, was sein ganzes Schaffen auszeichnet: eine natürliche Wildheit, die sich in animativ spannender Rhythmik, scharf gewürzter, delikat reibungsfreudiger Harmonik, improvisatorisch leidenschaftlicher Melodik, vortrefflich musikalischer Verwendung von Glissandi und aus innerer Notwendigkeit bezwingendem Rubato kundtut; eine stetige Durchdringung von struktureller Seriosität und feinem Humor; blutvoller, musikantischer Atem, der respektvoll mit den Idiomen spielt, ohne ihnen auf den Leim zu gehen.

Géza Frids Streichquartette sind klassische Moderne von hohem Karat, die sich auch neben Schostakowitsch oder Bartók hören lassen kann, und das junge schweizerisch-deutsche Amaryllis Quartet wird dem in vorbildlicher Weise gerecht, musiziert voll Wachheit, Finesse, Hingabe und Intelligenz. Auch das Klangbild ist erlesen reich schattiert. Baldmöglichst würden wir gerne mehr hören.

Nog een artikel over deze cd: Westfal. Nachrichten, 18 februari 2009

Top


‘Choral Works’ (2005) *

8 april, 2006, “Wederhoor”, de Volkskrant, Paul Witteman

Witteman in Volkskrant dd. 8 april '06

Top


FACEBOOK
TWITTER
GOOGLE
https://gezafrid.eu/recensies-over-frid-cds">